Tekst: Leonard van ‘t Hul – Sociologie Magazine – juni 2014
Download PDF..

 

Dat Floris Alberse geoefend interviewer is, wordt meteen duidelijk: nauwelijks is hij aangeschoven of hij heeft het gesprek stevig in handen, via enkele vragen en een opmerking over het vernieuwde interieur van het café (“het is er niet op vooruitgegaan hier”). Wanneer ik het stokje terugkrijg, begin ik zelfbewuster dan ik zou willen aan het interview.

Wat maakt een goede journalist?
“Een goede journalist maakt samen met de geïnterviewde een verhaal. Journalistiek is wat mij betreft een manier om iets te creë- ren mét een persoon. Dat is overigens iets wat ik mis bij veel journalisten. Vaak lijkt het alleen te gaan om het leegzuigen van mensen. Wat ik wil is mensen een nieuw inzicht bieden. Inzicht wat ik zelf ook nog niet heb, maar waar we via een gesprek op kunnen komen.”
“In een van mijn radiodocumentaires interviewde ik bijvoorbeeld mijn eigen opa die zich niet meer veilig voelde door de aanwezigheid van buitenlanders. Via zijn belevenissen kon ik enerzijds ingaan op de bredere onderstromen in de samenleving, maar tegelijkertijd was de microfoon een excuus om weer met hem hierover in ge- sprek te gaan. Mijn opa en ik discussiëren al sinds mijn zestiende over integratie en buitenlanders. Gaandeweg merkte ik dat de manier waarop we met elkaar discus- sieerden nergens heen ging. Ik snápte hem en zijn negativiteit gewoon niet. Bij het maken van de radiodocumentaire stelde ik vooral vragen en werd ik gedwongen een keer echt naar hem te luisteren.”

 

Je bent dus een journalist met een missie. Vanwaar die drang?
“Als we gaan psychologiseren dan kan je erop wijzen dat mijn beide ouders uit het sociaal werk komen. Hoe het ook zij, bij het maken van die documentaire besefte ik dat dat is wat ik wil: mensen begrijpen en met hen een stap verder gaan, zodat zij zichzelf beter gaan begrijpen. Veel journalisten zien dat niet als hun taak, maar ik vind het een mooi doel. Voor mij is een interview geslaagd als ik samen met de geïnterviewde tot nieuwe inzichten kom. Om die reden ben ik mij meer gaan richten op diepte-interviews en documentaires. Daarnaast werk ik als gespreksleider. Dat is typisch een taak waarmee je door goed te luisteren mensen met elkaar kunt verbinden.”

Je werkte ook voor Pauw & Witteman, niet bepaald een programma dat bekendstaat vanwege de ‘slow journalism’.
“Dat was ook mijn reactie toen ik werd gevraagd om te solliciteren als junior- redacteur. Eigenlijk wilde ik helemaal niet werken voor een actualiteitenprogramma, waarin niet elk onderwerp me interesseert en dit vaak erg vluchtig wordt behandeld. Bovendien kon ik als redacteur van dat programma niet zelf interviewen. Tegelijkertijd was ik wel gefascineerd door die wereld en was dit een prachtige kans om te zien hoe zo’n geoliede machine werkt.”

 

Waaruit bestonden je werkzaamheden?
“Het was mijn taak om gasten te ‘produceren.’ Allereerst moest ik nadenken over de vraag welke gasten het beste pasten bij een bepaald onderwerp. Daarna moest ik nagaan welke kandidaten het leukst kon- den praten. Ook moest ik controleren of hun verhalen klopten. Vervolgens hield ik voorgesprekken met geselecteerde gasten en op basis daarvan maakte ik vervolgens een verslag van zo’n twee A4’tjes.”
“Mijn verslag besprak ik op de avond van de uitzending met de presentatoren en de programmachef. De presentatoren stelden dan vragen over de dingen die nog niet duidelijk waren. Ik vertelde ze bijvoorbeeld waar een gast goed of minder goed over kon praten. En ook over wat hij of zij liever niet zou willen bespreken, maar wat wij juist wél wilden horen. Tijdens de uitzending zat ik met de programmachef in de regiekamer en had ik de mogelijkheid om Jeroen Pauw en Paul Witteman te adviseren het gesprek een bepaalde richting op te sturen.”

 

Zojuist vertelde je dat je mensen niet alleen maar wilt leegzuigen, maar is dat niet precies wat daar gebeurde?
“Ik moet toegeven dat ik niet over elk gesprek even gelukkig was. Laat ik voorop stellen dat lang niet iedereen op de redactie zo dacht, maar die instrumentele blikwas sterk aanwezig. Dat voelde soms niet helemaal lekker. Bijvoorbeeld als er iemand in het programma zat met een persoonlijk verhaal over een tragische gebeurtenis. Ook in zo’n geval had men het nog steeds over gasten ‘produceren’ die verhalen ‘leveren.’”
“Maar dat is wel hoe televisie werkt: uiteindelijk gaat het niet zozeer om die persoon, maar om de miljoen kijkers. Je denkt dat je naar een spontaan gesprek zit te kijken? Onzin. In negen van de tien gevallen heeft men daar gedurende enige dagen naartoe gewerkt. De voorgesprekken zijn bijvoor- beeld ook bedoeld om gasten hun verhaal in tien minuten zo boeiend mogelijk te laten vertellen.”

Joris Luyendijk bepleit al enige tijd dat journalisten opener mogen zijn en verantwoording moeten afleggen over de keuzes die ze maken – een stelling die ook academici steeds vaker voor de voeten wordt geworpen. Wat vind jij daarvan?
“Een hogere mate van openheid en transparantie juich ik toe, maar tegelijkertijd ben ik er niet zo zeker van dat je altijd alles moet vertellen. Om gevoelige informatie te krijgen moeten er soms dealtjes worden gesloten. Het is maar de vraag of het productief is om dat allemaal te delen met de buitenwacht.”
“Als socioloog weet je dat iedereen verschillende kanten heeft en dat deze afhankelijk van de situatie naar voren komen. Ik leer jou nu kennen als een geïnteresseerde luisteraar die vooral vragen stelt, maar wellicht voer je vanavond in de kroeg wel het hoogste woord. We kiezen dus per situatie wat we van onszelf laten zien en wat we verborgen houden. Datzelfde geldt voor redacties: niet alles wat binnen de organisatie speelt, wordt aan de buitenwereld getoond.”

 

Dat klinkt als een dubbele standaard: voor journalisten is het prima om een façade te behouden zolang zij daarmee effectiever de façade van hun geïnterviewden kunnen afbreken. Zijn we daarmee niet terug bij dat leegzuigende aspect van het interviewen?
“Deels ontkom je er niet aan, maar een goed interview levert voor iedereen wat op. In feite is elk interview een integriteitscheck: het is direct duidelijk of je er als presentator of als interviewer ook voor jezelf zit en of je écht geïnteresseerd bent. Wanneer dat het geval is zie je dat een ontmoeting ontstaat, dat er iets gecreëerd wordt wat er eerder nog niet was. Als de interesse intrinsiek is, dan is het altijd goed. Maar ik weet natuurlijk ook dat ik verhalen maak voor een publiek en dat zo’n ontmoeting het beste verkoopt.”