Download PDF..

Frans Oremus van VillaMedia interviewde Floris naar aanleiding van de NTR Radioprijs. De foto’s zijn van Truus van Gog in de flat van opa.

Floris Alberse won de NTR Radioprijs 2011 voor zijn radiodocumentaire ‘De flat van mijn opa’. Alberse: ‘Mijn opa zeurt over buitenlanders en ik vond dat-ie gewoon eens met zijn buurtgenoten moest praten.’

Floris Alberse (24) maakte de radiodocumentaire waarin zijn 85-jarige opa centraal stond, voor HollandDoc Radio. Zijn opa voelt zich niet meer thuis in zijn flat in Den Haag. In de docu- mentaire probeert zijn kleinzoon te achterha- len waarom dit zo is en hoe hij zijn opa kan hel- pen. Volgens juryvoorzitter Pieter Broertjes was het een ‘origineel’ programma. ‘Dit is een goed voorbeeld van een groot actueel onder- werp dat persoonlijk wordt gemaakt. Daardoor grijpt het je.’

Het grote actuele onderwerp waar de jury- voorzitter op doelt is de onvrede van veel Nederlanders over de hier aanwezige ‘buiten- landers’. Ook de opa van Alberse ergert zich eraan en doet soms stevige uitspraken. Zo verdenkt hij onbekende, gekleurde mensen die in de Haagse Spuistraat wandelen, ervan dat ze in hun levensonderhoud voorzien door een ‘uitkering’ of ‘jatwerk’. Hij ziet niets dan (in plat Haags) ‘bruin, bruin, bruin’ om zich heen. Alberse ondervraagt hem daar kritisch en ge- duldig over. Mede door de warme band tussen de twee lijkt opa eerlijk en openhartig.

Mensen die oppervlakkig luisteren zouden kunnen zeggen: je zet je opa voor gek.
‘Ik heb hem voor de uitzending de grove mon- tage laten horen. Mensen in Hilversum zeiden dat ik dat beter niet kon doen omdat je nooit weet wat-ie zou zeggen. Maar het is wel mijn opa en ik wilde weten wat hij ervan vond. Hij zei: “het is precies het verhaal zoals ik het je heb verteld”.

Hij heeft er heel veel reacties op gekregen. In een restaurantje waar hij veel komt, van de bewonersvereniging waar hij in zit en van mensen uit de buurt. Er zijn veel mensen die het met hem eens zijn, maar ook die vinden dat hij dat niet had mogen zeggen.’
Was je niet bang dat die woorden op je opa zouden terugslaan; dat mensen hem racist zouden noemen?

‘Er zijn heel veel mensen die denken zoals opa. Ik was vooral blij dat hij het gewoon zei. En dat hij (in de uitzending, red.) uiteindelijk met zijn Nederlands-Surinaamse bovenbuurman wilde praten. Soms dacht ik wel: “opa wat zegt u nu?”, maar dat zeg ik ook tegen hem in de uitzending. Mensen mogen in principe zijn zoals ze zijn. Daar moeten we niet voor wegduiken.

Ik heb hem bewust niet hard geconfronteerd, maar wel kritisch ondervraagd. Ik wilde vooral luisteren. We hebben al genoeg discussie, ge- noeg tegenstellingen. Ik zoek de tegenstelling op, maar kijk vervolgens hoe je verder kunt komen. Mijn opa vond het leuk eraan mee te werken. Hij zeurt over buitbuurt en ik vond dat-ie gewoon eens met zijn buurtgenoten moest praten. Dat wilde hij aan- vankelijk niet. Ik heb hem over de streep getrokken.’

Wanneer dat contact tot stand is gekomen vraagt zijn ‘buitenlandse buurman’ – in de uit- zending – aan opa of het niet ook ligt aan dat zijn vrouw een paar jaar geleden is overleden. Dat beaamt hij. Zij zorgde voor de sociale contacten. Hij mist vooral contact, zo blijkt. Opa is eenzaam.

Alberse: ‘Het is een uitdaging voor de jour- nalistiek om mensen met elkaar in contact te brengen. Journalisten weten niet alles en moe- ten dat ook niet willen. Maar we kunnen wel mensen met elkaar in contact brengen.’

Dan ben je een soort maatschappelijk werker.
‘Die reactie hebben heel veel journalisten: kijk uit, word geen maatschappelijk werker. Maar om een probleem helder te krijgen moet je verschillende partijen aan tafel krijgen. Want door mijn opa in contact te brengen met zijn buurman kwam het echte probleem op tafel. Een andere, korte documentaire die ik heb gemaakt gaat over een docent op een MBO scheepsbouwkunde. Ik laat hem met mijn microfoon in gesprek gaan met zijn leerlingen en ik vraag vervolgens aan hen: klopt dit?

Je hoort dat hij zelf gaat nadenken door wat die leer- lingen over hem zeggen. We kunnen proble- men soms alleen helder definiëren door ook anderen aan het woord te laten, niet alleen maar het primaire object van de reportage of documentaire. Je zou de journalist kunnen ver- gelijken met een dirigent die voor het orkest staat en heel goed luistert waar de dissonantieenlanders in zijn zit.

Luisteren, benoemen en dan vragen of bepaalde mensen kun- nen soleren. Prem Radhakishun is er met De Herkansing (waarin hij tieners waarmee het slecht gaat op school probeert beter te laten presteren, red.) een mooi voor- beeld van. Of Arie Boomsma met zijn serie Uit de Kast waarin-ie ho- moseksuele jongeren helpt uit de kast te komen door ze in gesprek te laten gaan met hun ouders. En dat was niet gebeurd zonder de camera.’

{image:550}

Floris Alberse studeerde af in de sociologie. Aanvankelijk wilde hij naar de School voor Journalistiek. Maar op de open dagen in Tilburg en Utrecht zeiden zowel studen- ten als docenten dat hij met VWO beter een universitaire studie kon volgen en het journalistieke vak daarna wel kon leren. ‘Blijkbaar was het niveau niet uitdagend genoeg voor een VWO’er.’ Nu doet hij een aanvullende jour- nalistieke master (UvA), waarmee hij over een paar maanden klaar is.

‘Ik wilde eerst basiskennis, een kritische blik en analytische kracht ontwikkelen. Sociologie sluit aan bij de kennis die een journalist moet hebben. Daarnaast heb ik geleerd te intervie- wen en te observeren, data te interpreteren en statistische analyses te doorgronden. Al die dingen die je ook als journalist nodig hebt.’

Hij liep al diverse stages tijdens zijn studie: in Berlijn bij correspondent Laurens Boven (BNR, Radio 2, Wereldomroep), bij de internetredac- tie van Tegenlicht, bij interviewprogramma Napels bij Nacht en bij AT5 Nieuws. Om televisie te leren maken.

‘Ik wil me als multimediaal journalist ontwikkelen. Want ik vind dat je als journalist uit moet gaan van een bepaald verhaal en daar het meest geschikte medium per keer bij moet kiezen. Dat is de ideale situatie. Daarom wil ik alles kunnen: radio, televisie, internet, schrij- ven en fotografie. Ik vind het ook allemaal leuk om te leren. De documentaire over mijn opa kon alleen op radio. Een regisseur van BNN be- naderde me om het ook voor televisie te doen. Maar alleen voor de radio kon ik een intieme sfeer creëren waardoor we af en toe alle twee de microfoon vergaten. Met camera was dat niet gelukt.’

Is de multimediale journalist niet een beetje passé?
‘Bij omroepen zie ik steeds meer behoefte aan crossmediale projecten. Ze worden nu terug- gefloten door de politiek omdat ze minder op internet mogen doen. Dom, want als je niet actief kunt zijn op internet heb je de toekomst niet.
Mijn belangstelling ligt nu bij televisie, nadat ik veel radio heb gemaakt. Ik ben ook bena- derd door een uitgever om te praten over een boek. Dus ik moet heel duidelijke keuzes gaan maken.’

Wat doet zo’n prijs?
‘Ik zie het vooral als een aanmoediging en bevestiging van de manier waarop ik deze documentaire heb gemaakt. Maar over drie maanden ben ik klaar met mijn studie en moet ik gewoon aan het werk als freelancer of als vaste kracht. Ik wil als journalist aan de slag. Een baan waarin ik mijn journalistieke creativiteit kwijt kan.

Ik vind de prijs ook waardevol omdat radio- documentaires achterlopen op televisiedocu- mentaires. Televisie is vaak al wat persoonlij- ker, de maker durft zichzelf meer te laten zien. En dat dit nu ook bij de radio met een prijs wordt beloond is een goede ontwikkeling. Kijk, het gaat om de mensen die je interviewt, maar het gaat ook om de interviewer. Je moet als het zin heeft iets van jezelf laten zien.

{image:551}

Als Job Cohen wordt geïnterviewd gaat het om Cohen en niet om de inter- viewer die laat zien dat hij stevig op iemand kan inhakken (Alberse doelt op een interview van Peter van Ingen in Buitenhof op 9 oktober, red.). Als dat twintig minuten doorgaat, gaat het om de journa- list. Ik zie teveel wantrouwen en cynisme in de journalistiek. Dat wakkert in Nederland het wantrouwen en cynisme aan.

Door de kleine verhalen op te zoeken – zoals ik met opa heb gedaan – ga je even weg van al het gefoeter over wat er mis is en luister je ge- woon eens naar wat één man er- vaart en wat zijn probleem is. Veel journalisten mogen opener zijn en vaker verantwoording afleggen over de keuzes die ze maken. Sociale media zijn daar- voor. Niet alleen om te laten zien welke reportage je hebt gemaakt,maar ook om verantwoording af te leggen. Duik niet weg.

Ik vind het fantastisch als mensen die mijn documentaire hebben gezien me twitteren met de vraag waarom ik een be- paalde keuze heb gemaakt. Hoofdredacteur Rob Wijnberg van nrc.next legt dat vaak goed uit. Dat hoeft niet op de voorpagina en dat moet niet teveel, maar je laat wel zien dat je benaderbaar bent en bereid bent uit te leggen waarom je iets hebt gedaan. Als je op dié ma- nier als persoon meer op de voorgrond komt is dat niet erg.’

Je bepleit slow journalism, maar de realiteit is ook dat alles omwille van kijkcijfers steeds sneller moet. Op standpunt.nl kunnen mensen kort en heftig losgaan. Dat schijnt luisteraars te trekken.
‘Er is een dilemma tussen diepgang en wat de gemiddelde luisteraar wil. Maar op radio 1 heb je ook de ‘1 Minuut’-docu’s. Het is de kunst van de maker om binnen de veranderende media- wereld te kijken wat er kan. De mogelijkheden zijn groter dat men denkt. Er is veel mogelijk in vijf minuten als je je goed voorbereidt en de juiste mensen selecteert. Daarnaast is het goed dat er ook lange items blijven. Stel dat radio 1 alleen maar gesprekken van vijf minu- ten uitzendt; zorg dan dat je het voorgesprek op internet publiceert. Korte items voor het grote publiek en voor en hen die meer willen horen bied je langere items.’